‘Het wordt niet gewaardeerd als je buiten de traditionele rol van wetenschapper treedt’

Henk Volberda, hoogleraar strategisch management en ondernemingsbeleid, wilde meer invloed op het bedrijfsleven hebben dan hij met publiceren kon bereiken, schrijft René Bogaarts in het Financieele Dagblad.
Henk Volberda
Henk Volberda – Foto: Mark Horn voor het FD

‘Twaalf jaar geleden zat ik ’s avonds in Londen aan de whisky met Charles Baden-Fuller, een zeer gerespecteerde hoogleraar aan de Cass Business School, iemand met veel wetenschappelijke publicaties op zijn naam. “I want to be remembered”, zei hij. Ik wilde dat ook, maar ik vroeg me af of ik dat op die manier zou bereiken. Wie kennen je? Andere wetenschappers, studenten. Leuk, maar wat is je invloed op het bedrijfsleven?’ (…)

‘Kort na dat gesprek in Londen werd ik door het Innovatieplatform gevraagd een startnotitie te schrijven over een nieuw onderwerp, sociale innovatie. Men begreep wel dat innovatie niet alleen met technologie te maken had. Ik had in mijn jaarlijkse onderzoeken voor het World Economic Forum naar Nederlands concurrentievermogen al meerdere malen gewaarschuwd dat we de omslag naar een kenniseconomie dreigden te missen. Kernboodschap was dat je niet alleen moet investeren in technologie en R&D, maar vooral in menselijk kapitaal, platte organisatievormen en ondernemend leiderschap.’

‘Na die startnotitie werd dat opeens een collectieve ambitie van het Innovatieplatform. Met name onze bevinding dat innovatie voor 25% bepaald wordt door investeringen in technologie, maar liefst 75% door leiderschap, organisatie en inrichting van de arbeid, sloeg aan. Samen met werkgeversorganisaties, vakbonden en kennisinstituten is vervolgens het Centrum voor sociale Innovatie opgericht. Ik werd bestuurslid. Het centrum is even succesvol geweest, maar werd na zes jaar opgedoekt. De grote bedrijven zeiden dat ze voor sociale innovatie niemand van buiten nodig hadden.’

‘In die tijd heb ik ervaren dat invloed niet alleen uit publicaties komt. Als je met captains of industry of managers praat, kun je invloed hebben op het beleid. Maar het wordt niet erg gewaardeerd als je buiten de traditionele rol van wetenschapper treedt. Als ik inkoop van eigen aandelen kapitaalvernietiging noemde, en zei dat de raad van bestuur van een bedrijf die miljarden beter voor sociale innovatie had kunnen gebruiken, werd me dat niet in dank afgenomen. Men zei dat ik als wetenschapper makkelijk praten had. Het ministerie van Economische Zaken, dat het Centrum financierde, heeft me ook weleens gezegd dat sociale innovatie de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf was. “Helemaal niet”, zei ik dan, “want sociale innovatie is goed voor de welvaart en dus goed voor Nederland”.’ (…)